‘Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.’
Psalm 4:8
Gegeven vreugde
Psalm 4 is een psalm als vele andere psalmen, een gebed tot God in de benauwdheid. Tot God te bidden is goed. Laat maar heel uw leven met al zijn gebeurtenissen voor God geopend worden. Daar is geen ding, dat voor Hem niet de moeite waard zou zijn om er Zijn aandacht aan te besteden. Heel dat bonte leven met zijn goed en zijn kwaad, met zijn hoogten en zijn diepten, met zijn vreugden en zijn smarten, zelfs met zijn zonden en zijn genaden gaan Hem ter harte. Zo vreemd, zo slecht, zo zondig kan een zaak niet zijn, of u kunt er mee bij Hem terecht. Ook kan een zaak niet zo hoog, zo edel zijn of zij is bij Hem welkom. Hier is het dan dus een gebed in benauwdheid.
Schandelijke dingen moet hij voor God brengen, te schandelijk haast om uit te spreken. Er zijn mensen, die zijn eer tot schande maken. Wat wordt dat veel gedaan, dat geniale composities van kunstenaars als waardeloze stukken door pseudo-musici terzijde worden geworpen, dat men in de handel goede waar slecht heet en slechte voor goed aanprijst, dat men in de religie echte godsdienst laag schat en valse godsdienst hoog prijst. Hier moest Davids koningschap en godsdienst het ontgelden. Wat in hem te eren viel, stellen zij voor als iets, waarvoor David zich schamen moest. Dat is het eerste wat David voor zijn God brengt: misduiding van zijn kwaliteiten en van zijn daden. Zijn eer in schande verkeerd.
Er zijn ook mensen, die de ijdelheid beminnen en de leugen zoeken. Zij spréken de leugen niet. maar zóéken die. Zij hebben de leugen lief. Zij beminnen dat wat ijdel, dat wat leeg, dat wat niets is. In de politiek is veel ijdelheid, dat men zoekt wat niets is, wat veel kost en weinig baat oplevert. In de godsdienst is veel ijdelheid: men preekt graag wat niets is, men hoort graag preken wat niets is, men stelt een armzalige medemenselijkheid in de plaats van genade die van boven, van de hemel komt. Men ruilt dingen van goede waarde in tegen dingen van geringere waarde. Men doet dit met schone, grote en geleerd klinkende woorden.
Dat is vandaag eer, die tot schande wordt, ijdelheid beminnen, leugen zoeken. Uit dergelijke benauwdheden riep David tot God. Uit dergelijke benauwenissen mogen ook wij vandaag bidden. Dit hoort God. Te midden van al deze dingen van het ijdele leven vertoont God Zijn aangezicht. Als onze ziel verkeert onder ijdele lieden, onder mensen, die tegen het volk Gods gekant zijn, onder hen die leugen aanblazen, dan vertoont God temidden van hen, boven hen soms Zijn aangezicht. Dat is gebedsverhoring, als men van God mag aanschouwen Zijn aangezicht in gunst tot ons gewend. Dat kan soms gebeuren onder het lezen van de Bijbel, dat in die Schrift, in een hoofdstuk, in een Bijbelboek, in een tekst God Zich openbaart. Het kan ook gebeuren onder de prediking, dat de Heere levend, sprekend, Zich openbarend met Zijn oog dat alles ziet, met Zijn oor dat alles hoort, met Zijn hart dat alles begrijpt en meevoelt, voor ons staat. Dan buigt Hij Zich neer en raakt ons oog, ons hart. Het kan ook gebeuren onder het heilig sacrament, zowel van de Doop als van het Avondmaal, dat de Heere - Die daar altijd in is - voor ons verschijnt, vol van genade en waarheid.
Zie dat is het verheffen van Gods aangezicht over ons, zoals vers 7 dat zegt. En dat is ook het geven van vreugde in ons hart, zoals vers 8 dat zegt. Hij is onze vreugde. Het zien van Zijn aangezicht, het verheffen van Zijn aangezicht over ons, dat is onze vreugde. In de bediening van het Woord, in het preken en in het horen van het Woord, daarin is onze vreugde. In de Doop en in het Avondmaal, als die recht bediend en geestelijk bediend worden, gelovig bediend worden en als die ook even recht en geestelijk en gelovig genoten worden, daarin is onze vreugde. Die geeft God, zo waarlijk als Hij de bediening van Zijn Woord geeft, zo waarlijk als Hij de Heilige Doop geeft, zo waarlijk als Hij de bediening van het Avondmaal geeft. Die drie zijn de Goddelijke gaven, hemelse gaven. Meer dan deze geeft de Heere niet, iets anders dan dit geeft Hij niet. Daar moet de kerk het mee doen, daar kan de kerk het ook mee doen. Dit is hemelvreugde, dit geeft hemelvreugde.
‘Gij hebt gegeven! zegt David. ‘Gij hebt gegeven!’ zegt de kerk. Gij hebt vreugde gegeven in mijn hart. God geeft nooit vreugde aan de buitenkant. Als Hij geeft dan geeft Hij iets in het hart, in het centrum van ons leven, daar waar de uitgangen des levens zijn. Zo spreekt de Bijbel van al Gods gaven. Geeft Hij droefheid over de zonde, het is een hartelijke droefheid, leert Hij zuchten, het is met hartelijke zuchten, schenkt Hij vreugde, het is een hartelijke vreugde. Geeft God genade, Hij geeft die in het hart, als Hij de liefde Gods uitstort in het hart. God werkt zo van het binnenste uit, van het meest innerlijke en daaruit blijkt dat Hij zo’n volledig werk doet, nooit half werk, nooit maar een uitwendig werk. En vanuit dat hart gaat al Gods werk zich uitstralen over de gehele mens. Zo wordt ook de vreugde van het hart een vreugde, waar het denken in deelt, het hoofd in deelt. Daar krijgt u dat vredige, dat stille overdenken, men gaat denken van God uit, men gaat denken van Gods Woord uit, men gaat denken met God mee en men vreest alle ketterij, alle dwaling. Deze vreugde deelt zich mede aan het oog en het oog en het gelaat stralen uit de blijdschap, die ook van Gods aanzicht straalt. Dit wordt een vreugde in woord en daad. Hier is het het woord, het lied van David, vol van de vreugde van het heil. Waar het hart toch van vol is, loopt de mond van over. Die vreugde straalt in alles uit, zelfs in handel en wandel, als God maar Zijn aangezicht daarover en daarin laat lichten. Een christen is een leesbare brief, van Christus, zoals die in hun hart geschreven is.
Ds. W.L. Tukker